De zwarte schepen van de Ballumer Bocht.
In de jaren vijftig en zestig was ik in de zomervakantie in Hollum op Ameland. Als je ‘s morgens wakker werd hoorde je de paardenhoeven op de klinkers van het dorp. Ik bracht de tijd het liefst door met vissen. Op het wad waar ik hoekwant had uitstaan, of op het noordstrand bij paal 5 bij het wrak van de Tartar. Maar ik kwam ook geregeld naar de Bocht. Daar loopt een stroomleidam uit 1847 een kilometer het wad in.
Het begin van de strekdam is nu verbreed en opgehoogd en er staan gebouwen van de KNRM, het bemanningsverblijf “Bertus Bruin” en de reddingboot Anna Margaretha ligt daar afgemeerd. Maar in die tijd bestond dat nog niet. Er was alleen een strekdam, die daar al honderd jaar lag, die vanaf de dijk het wad inliep, gebouwd van grote basalten blokken, met hier en daar geel mos. Ik viste op paling vanaf de kribben van de strekdam in de geul waar nu de reddingboot ligt.
Om op die strekdam te komen kwam je langs de loswal bij de dijk, waar twee zwart geteerde vrachtschepen lagen van Beurtdienst Gebr. Bruin uit Hollum. Het was een mooie, beschutte plek voor de westelijke en noordelijke winden. Deze loswal met gieken is nu verdwenen bij de vernieuwing van de dijk.
Als de schepen thuis waren, liep ik er altijd even naar toe om te kijken. De stuurhut, de luiken, de laadboom, het anker uit het kluisgat, de landvasten waar wier aan hing en hoe de schepen droog lagen bij laagwater. De schepen waren helemaal zwart.
“Alfit” stond op de boeg van het ene schip en “Hans Gerrit” stond op de stuurhut van het andere schip.
De Alfit was een beurtschip van 26 meter en 102 ton uit 1913 en de Hans Gerrit was 23 meter en 78 ton ook uit 1913. Het familiebedrijf Beurtdienst Gebr. Bruin voer met het schepen op Leeuwarden en Amsterdam met ronde Amelander Edammer kaas en boter van de coop. melkfabriek in Hollum. Terug naar Ameland met ladingen kolen, huisbrandolie, meel, veekoeken, kunstmest, gaspotten en stenen
De reis ging over het wantij van Terschelling. Vanaf de Bocht voeren ze via het Molengat, Vaarwater van de Zwarte Haan, Abt, Vingegat, Vlakte van Oosterbierum, Kimstergat naar Harlingen of de sluizen van Kornwerderzand.
Hans Bruin uit Hollum was de schipper op de Alfit. Door mijn grootouders in Hollum werd altijd met het grootste respect over Hans gesproken, hoewel zij geen familie van elkaar waren. Op zich bijzonder, want ik moest zowat tegen de helft van de Hollumers tante of oom zeggen. Kennelijk hoorde de familie Bruin tot de andere helft. Als ik dus naast de Alfit stond op de loswal, stond ik naast “het schip van Hans Bruin”, de man die in zomer en winter over het wad naar de Condens en de CAF voer in Leeuwarden en over het IJsselmeer naar Amsterdam. De inwoners van Hollum en Ballum waren afhankelijk van de beurtdienst voor hun bestaan. Nes en Buren hadden hun eigen beurtvaart.
De Alfit stak leeg 1.70 m. Dus in de jaren vijftig en zestig was die route heel wat dieper dan nu. Nu kun je nog maar met 1.00 m diepgang via deze route over het wantij heen. Door andere stromingen werd het wantij in de loop van de jaren steeds hoger. Als het schip leeg 1.70 steekt en geladen meer dan 2 meter, dan begon dat in de jaren 60 en 70 steeds meer een probleem te worden. Het schip kon steeds minder laden in verband met de diepgang en het hoger worden van het wantij. Nog afgezien van concurrerend vrachtvervoer op de veerboten van Wagenborg.
De Alfit werd door schipper Hans met de hand geladen en weer uitgeladen. Als hij overdag moest laden en ‘s nachts moest varen en daarna lossen, was er geen tijd om te slapen. En soms was er ook geen water. Meestal op de Abt het hoogste punt. Het schip bleef dan een tij over voordat het vlot kwam. Maar rond halve maan duurde het ook wel eens een week voor er genoeg water kwam. Schipper Hans Bruin was dat gewend, want het hoorde bij het varen over de wantijen en bij de invloed van de maanstanden op het tij. Hij voer al op het wad vanaf de lagere school en nam op zijn 16e de plaats van zijn vader in. Hij had ook postduiven aan boord om een berichtje te sturen naar zijn vrouw Trijntje, voordat het schip een marifoon kreeg. Als er na een aantal dagen geen eten meer was, ging hij van boord om mossels te rapen of bot te kloppen. En hij kon zijn slaap in halen.
Hij voer op het tij en het maakte niet uit of het dag of nacht, mist of stormweer was. Dus ook bij dood tij of opkomende oostenwind, als er weinig water kwam en hij al bij vertrek wist, dat hij het niet ging redden over het wantij. Er waren barre winters bij waarin het schip ingevroren lag. Het was eigenlijk een keihard bestaan, waar met vriendelijkheid en mildheid mee werd omgegaan.
Als ik naast die zwarte schepen stond te kijken, stelde ik mij dat voor op het vrachtschip, dat een tij overbleef. In z’n eentje, ‘s nachts in de stuurhut onder Zwarte Haan bij een petroleum lamp, een potkachel en een sigaar, want Hans voer met zijn zijn famileden, maar ook geregeld alleen. Als je daar richting de vaste wal keek, zag je de vette blauwe slik onder de Friese kust richting Zwarte Haan. Dat prikkelde mijn fantasie toen. Varen op het wad, dat is het allermooist. Maar de kans dat dat ooit zou gebeuren was klein, dat wist ik ook wel.

De “Alfit”.
Gebouwd door Scheepswerf Boot in Alphen aan de Rijn in 1913.
25,92 x 4,67 x 1,70 T:102,
Rond 1924 30 pk Kromhout type M2 2 cilinder semi diesel 350-450 tpm,
Tussen 1953-55 120 pk Mercedes type OM6-120.
In de jaren 70 DAF DD575 van 100 pk.
De “Hans Gerrit”.
Gebouwd in Gouda in 1913.
23.10 x 4.86 x 1.59 T:78 ton.
In 1926 Kromhout 30 pk M2 2 cilinder semi diesel 350-450 tpm.
In 1978 DAF DS575M 90 pk.