door Oeverloos » 21 Nov 2025, 19:21
“Het gaat waaien, hoor je me!”, zegt ze. “Hier, kijk maar op Windfinder, windkracht 10.”
“Ach, hou toch op, die computers tellen gewoon alles bij elkaar op, daar komt nooit wat van”, zeg ik.
We liggen begin augustus 2023 in een ruime baai in het zuidelijk deel van het Kattegat, mooi beschut en met uitzicht op de Grote Belt. Het weer is prima met een zacht windje. We liggen hier al een tijdje en ik ga hier voorlopig niet weg.
De schipperse laat de Windfinder app zien. Nou, niet best. Elke dag meer wind, oplopend naar windkracht 10. Het staat er echt. Maar ja, dat heb ik al zo vaak gezien. Eerst maar eens kijken hoe het zich ontwikkelt. Bij Windy en Ventusky zie je wel een onwezenlijk groot laag uit Rusland en het Oostelijke deel van de Oostzee hierheen komen. Ze heeft gelijk. De omvang van het laag is gigantisch. Dit zie je eigenlijk nooit. Het koerst over Zuid Finland, de Baltische staten, Zuid Zweden, Noord Denemarken en Zuid Noorwegen. Het oog zou, volgens de voorspelling, boven Zuid Zweden komen te liggen en dat is hier niet zo ver vandaan. Waar wij liggen, aan de zuidkant van het oog, gaat de wind naar westelijke richtingen draaien. In Stockholm aan de noordkant van het laag gaat het uit het oosten waaien. Wat dat betreft liggen we goed. We liggen achter een eiland in een ondiep deel van een baai op 2,5 meter water zo’n 200 meter van het strand, beschut voor west, noordwest tot noordoost.
Een oosterstorm, dat kennen wij eigenlijk niet. In Nederland komt dat niet voor, want bij ons komen lage druk gebieden uit het westen. Op oude gebouwen op Deense eilanden heb ik wel extreme waterstanden gezien uit de eeuwen hiervoor, die allemaal met een oosterstorm te maken hadden. Wist ik veel dat deze dikke bries storm “Hans” zou worden, die uit Rusland komt en in noord westelijk richting zich over de hele Oostzee uitstrekt en richting Noorwegen zal trekken om voor landverschuivingen, weggespoelde wegen, overstromingen, ontspoorde trein en vernielde huizen te zorgen. In plaats van dat het laag ergens heen gaat, zal de kern 24 uur boven Zuid Zweden blijven liggen tollen. De zwaarste bries sinds 50 jaar voor Zweden.
Maar daar weet ik nu nog niks van. Ik lig nog lekker op het ankerplekje met de vlet en er is niks aan de hand. We kunnen naar de grote jachthavens van Jutland varen, zit ik verder te denken. Dat moeten we nu dan meteen doen, want anders zijn die havens vol, want alle boten gaan daar heen. Het piepkleine haventje in de verte was ook al leeg, zagen we, en alle ankeraars om ons heen zijn de afgelopen dagen weggevaren richting Jutland. De schipperse is geen liefhebber van jachthavens. Die wil gewoon altijd ankeren. Dat is al tientallen jaren zo. In een klein haventje liggen en ouwehoeren op de steiger met andere watersporters heeft er nooit in gezeten. Altijd ankeren went en je kunt altijd nog met de bijboot ergens heen varen. Een storm bekijkt ze als een weer verschijnsel, een beetje afstandelijk en ze verwacht dat de vlet het aan kan. Angst heeft ze niet maar ze maakt zich wel zorgen of we wel alles gedaan hebben wat we moeten doen. Dat slaat dan vooral op mijn zorgeloosheid, want ik mis haar ordelijke analytische geest en de degelijke voorbereidingen met lange lijstjes, die afgevinkt zijn.
Vijf jaar geleden, in 2018, zou er ook storm uit het oosten komen. Toen lagen we hier ook. Vanuit het oosten is het hier niet beschut. Een bevriende Duitse zeiler had er bij ons op aangedrongen om het leeg gelopen haventje in te gaan. Er lagen een stel Duitse zeilboten die besloten hadden om te blijven. Die Duitser was best een ervaren zeiler met zijn 84 jaar. We lieten ons, als jonge zeventigers, overhalen. Als we nou in oostelijke richting tussen twee palen met de boeg naar de steiger gaan liggen. En dan maar wachten. Die storm was erg, maar nog erger was het geschreeuw van Duitse zeilers midden in de storm, die op hun boten bezig waren om de rolfokken, die uit hun rol waren gewaaid en die nu aan flarden aan de mast hingen binnen te halen. Ze werden gek van het geklapper. Sommige afgemeerde zeilboten maakten in vlagen een helling van 45 graden op hun kale mast. De golfhoogte in de redelijk beschutte haven was een meter en alle boten, bemand en onbemand gingen als gekken te keer. Het gebrul van de wind werd versterkt door het gegier van het want van de zeilboten en de uit hun lijken gewaaide voorzeilen. De windmeter op het dashboard wees inderdaad af en toe rond de 50 knopen, 10 Bft aan, maar dat was in vlagen, meestal was het minder.
Wij lagen prima en hadden nergens last van, maar dat geschreeuw dat ga ik niet nog eens meemaken. We blijven gewoon hier als enige boot in de baai. Dan heb je alleen de wind en dat is erg, maar niet zo erg als geschreeuw. Ik kijk nog eens naar Windy en Ventusky. Het ziet er intimiderend uit. Lyngby Radio waarschuwt op de werkkanalen voor “severe gale warnings” en “storm warning” van 25-28 m/s voor ons gebied. Dat is rond de 48 knopen, windkracht 10, zoals de weer apps ook voorspellen.
De schipperse is aan het broodbakken met de Panasonic in de achterkajuit. Ze is bezig met een weegschaal en allerlei meelsoorten, droge gist, zakjes en flesjes. Ze houdt een lijstje bij van hoe de verschillende mengsels smaken. Dat lijstje wordt elk jaar langer en het brood elk jaar anders.
Ik zit hier een beetje te kijken over het achterdek. Aan de hele horizon is niks te zien. Het is rustig weer. Eerlijk gezegd zit ik ook de verkeerde kant op te kijken, want de storm komt uit het oosten. Hier op dit eiland komt de wind altijd van zee, dus die wordt nergens door afgeremd. Het is rustig. Je kunt je niet voorstellen dat dit dan misschien een stilte voor de storm is. Als de wind uit het westen komt, dan liggen we hier helemaal niet verkeerd. Ook niet goed, overigens. Overal waar je heen gaat waait het, dus je kunt net zo goed hier blijven. Maar je kunt nergens in de luwte liggen hier. Met de voorspelling dat de wind uit westelijke richtingen komt, kun je veel beter een sund in Jutland in varen en onder een beukenbos achter een rietkraag een ankerplek opzoeken. Zoals in de Zuidelijke Oostzee in de Genner Bugt bijvoorbeeld of de Kleine Belt. Je ligt dan beschut en in de luwte met je bootje. Maar hier aan de meer Noordelijke kust van Jutland zijn alleen ankerplaatsen, zoals Knebel Vig en Kalø Vig in de Aarhus Bugt, die net zo veel beschutting geven als deze waar we nu liggen.
Op Youtube kijk ik naar de filmpjes van de Britse Barry Perrins met zijn “Adventures of an old Seadog”, die met zijn stalen 10.50 m lange Van de Stadt Zeehond “White Shadow” op de Stille Oceaan vaart en nu ik dit schrijf (zomer 2025), is hij op de terugweg op de Indische Oceaan. Daarmee vergeleken is het liggen in een baai in Denemarken met een dikke bries kinderwerk. Dit soort gedachten gaan door me heen.
Het doet mij altijd denken aan een storm die ik nooit zal vergeten. In 1973 op de boerderij in Friesland. Alle pannen waren al van de boerderij af gewaaid en nog ging het harder waaien. Ik stond in de deuropening van de trap naar de zolder toen de storm als een ongetemd wild dier vernielzuchtig aan de boerderij ging trekken om het 100 jaar oude gebouw kapot te maken. Het gebint bewoog en kraakte en de wind voelde als een buitenzinnen geraakt wild dier. Het water in het meer bij de boerderij hing meer boven het meer als er in. Ik schat dat de wind orkaankracht had toentertijd. Ik voelde toen de angst mij omklemmen. Zoiets verwacht ik hier niet, maar ik moest er toch even aan denken.
In de loop van maandag 7 augustus gaat het steeds harder waaien. Met de schipperse ga ik de spanbanden op zoeken, want zij vindt dat het zonnedakje boven de kuip vastgezet moest worden aan de reling. Dat gaan we samen doen. Ze heeft gelijk, want het dekje vliegt gegarandeerd de lucht in. De rubberboot in de davits gaat ook in de spanbanden en de hengels, dekbezems en de lange en de korte pikhaak op het dak van de vlet worden met extra elastieken vastgezet. Het gasten vlaggetje wordt gestreken en de vlag op de spiegel weggenomen. De geus moet blijven, want dan kan ik de windrichting zien.
Op het voordek steek ik met de ankerlier nog extra ankerketting bij tot er 55 meter 10 mm ketting uitligt. Er is nu nog 20 meter ketting in de kettingbak. We deinzen 20 meter achteruit en op de diepte meter zie ik dat er nu 1,5 meter water onder de boot staat in plaats van 1 meter. Het verschil tussen eb en vloed is hier zo’n 30-50 cm, maar bij wind kan het zomaar veel meer of minder zijn. Meestal meer is mijn ervaring, want dan loopt het hele strand onder en een deel van de duintjes ook.
Als de vloed er in komt, heeft de vlet de neiging om voor de stroom te gaan liggen en lig je soms een tijd dwarszee. De wind wakkert steeds meer aan en de spanbanden beginnen te resoneren in de wind. Een lijntje er op brengt rust. De lucht betrekt en het begint te regenen, steeds meer en steeds harder. De regen wordt zo massief dat de koppen op de golven weggestreken worden door de druk van het regenwater. Het water loopt in rivieren door de gangboorden en vliegt uit de spuigaten. De wind neemt steeds meer toe en de regen komt horizontaal voorbij. De vlet maakt lange halen aan de ketting en blijft aan het eind van de haal even liggen, gaat overstag om aan een nieuw gier te beginnen. Dat gieren is een ellende, maar alle boten gieren nu eenmaal. Wind en water staan recht op de voorramen en je ziet niks. Ik zet de slingerruit aan, maar het zicht blijft beperkt tot de boeg.
Ondanks dat we vlak onder het strand liggen lopen er toch rollers onder de boot door. Het lawaai van de wind is imponerend. Alles trilt en ik zie de ankerketting met de zwarte ringfender langs de boeg net boven water komen als de vlet aan het einde van zijn haal is. De ankerwacht op de Simrad plotter staat aan en we kijken samen naar de track op het scherm of we blijven liggen. Je kunt zien dat de ketting 20 meter extra heeft gekregen, want de schipperse heeft de cirkel groter gemaakt, maar verder gaan de tracklijntjes niet naar achter. Het anker is een poolanker, zoals je dat altijd onder de kopleguaan van een vlet onder de boeg ziet hangen. Dit anker van 35 kilo is zwaarder dan het standaard 28 kg poolanker en een maat groter met langere vloeien, die lang genoeg zijn om door het zeegras heen te prikken. Alleen past het niet meer zo mooi in de ankerschacht, je moet het anker een halve slag draaien wil deze er in gaan, wat altijd wat gepiel met de korte pikhaak met zich mee brengt bij het ophalen. Dit is mijn derde al, want de eerste ligt ergens in een baai onder Öland in Oost Zweden en de tweede in de hoek onder Kornwerderzand. Het anker zit met extra zware harpen aan de ketting vast. De vlet blijft liggen. Ik verwacht ook niet anders. Het anker is met de motor achteruit de grond in getrokken. De wind neemt nog steeds toe. Dat kun je horen aan het geloei. Op de windmeter verschijnt nu af en toe 45-46 knopen, een 9 Bft. in een vlaag. Om je heen is niks te zien. De ramen slaan dicht van het water en de wind. Het gaat zo uren door en in de namiddag zetten we het ankerlicht aan.
Alleen in een baai voor anker in de nacht is apart. De duisternis om je heen maakt de wereld aan boord klein. Buiten is alles zwart en je weet dat iets onzichtbaars jouw kant op komt. Je ziet niks, maar je kan het wel horen. De wind trekt verder aan en zien we alleen nog maar hoog in de 40 knopen op de dashboard staan. Als de vlet bij het gieren aan het eind van zijn haal is hoor je een klik als de ankerketting omslaat, gevolgd door een keiharde denggg, die door trilt in het staal van de scheepsromp. Daar lig je met je hoofd naast als in de punt in je kooi ligt.
De schipperse slaapt sowieso niet. En zeker nu niet. Ze is van nature een slechte slaper. Erg optimistisch is ze ook niet. Het liefst zit ze te kijken waar het mis gaat. Ik heb daar geen last van. Dat komt, zegt ze, omdat “ik het niet snap”.
Om 24 uur wordt het 8 augustus en de wind neemt nog steeds toe in vlagen. Je kunt het horen en voelen aan de stoten tegen de boot. De windmeter geeft in een vlaag 50 knopen aan.
We zitten in de stuurhut met een lampje aan met een zelfgebakken boterham met gezouten Deense boter en sardientjes uit olijfolie. De schipperse met een Duitse Krombacher alcoholfrei en voor mij een halve liter Deense Faxe. Af en toe open ik de deur van de stuurhut om in de luwte van de kuip over de reling naar de nacht te kijken. Normaal wordt het nooit echt donker in Denemarken. Je kunt dan de contouren van het strand en de duintjes zien. Nu niet, maar evengoed is het een mooi gezicht, het water en de geloei rond de vlet. Als dit het is, dan lijkt het mee te vallen. Zo blijven we nog een paar uur op en tussen 3 en 4 uur in de morgen lijkt het dat de wind niet meer toeneemt. Om een uur of vier hebben we het meeste gehad en besluiten we de kooi op te zoeken.
Ik kijk nog even op de dieptemeter. 2,5 meter onder de boot. Dus een rijzing van een meter. De Simrad plotter laat zien dat we nog steeds op dezelfde plek binnen de cirkel van het alarm liggen, maar dat de wind van west naar noordwest is gedraaid. Ik kijk nog even door de ramen van de stuurhut. Je kan zien dat het licht wordt. De windvlagen en de regen staan tegen de ramen op te drukken. Achterop hangt de rubberboot in de davits. De plug is uit de spiegel van de rubberboot getrokken en er loopt een straal water uit. Voorin, in de punt, is een massieve herrie, maar het went als je eenmaal ligt. En de vlet beweegt vertrouwd. Het voelt eigenlijk wel ok, vind ik. Op de wind na dan, want die blijft door denderen.
Het is vreemd, maar als je lang in de punt slaapt, sla je alle geluiden op en kun je slapen. Maar je wordt wakker bij een afwijkend geluid. Deze nacht is er te veel gebulder om een afwijkend geluid te horen.
Als ik de volgende ochtend wakker word, zit de schipperse in de kuip over het water naar de duintjes te kijken. Er vliegen leeuweriken boven de rozenbottels.
“Hoe lijkt het?”, vraag ik.
“Goed”, klinkt het.
Ik zie dat de zeegrassen van de vloedlijn hoog op het strand zijn gespoeld.
“Koffie?”
Ze kijkt mij onderzoekend aan met haar onverschrokken blauwe ogen.
“Ja, lekker”, klinkt het.
Ik sla een arm om haar schouders en samen kijken we hoe een meeuw van heel hoog een mossel laat vallen op het strand.