Dit is een reis van meer dan 20 jaar geleden.
Noorden
“Zullen we dit jaar een reis gaan maken naar het noorden?”
“Naar de Åland eilanden.”
“En waar mogen die dan wel niet liggen,” klinkt het.
“Tussen Stockholm en Finland.”
“Hou toch op man, jij altijd met je eilanden.”
“Veel te ver weg, tegen de tijd dat je er bent is het herfst.”
“Valt mee… je vaart in de Oost Zweedse scherenkust beschut tussen 20.000 eilanden. Altijd lekker warm weer en het regent niet.”
De motorvlet ligt hier in Friesland. De Deutz krijgt nieuwe olie en filters en we zorgen voor twee volle gasflessen voor de kokerij. Er zijn reserve smeerolie, smeeroliefilters, brandstof fijnfilters, filterpatronen voor de Racor voorfilter, impellers en V snaren, plus hetzelfde voor de aggregaat aan boord.
Verder meel voor de broodbak machine en voor twee maanden houdbare etenswaren, zoals gedroogd gerookt spek, kapucijners, augurken, Amsterdamse uien, koffie, zure haring, roggebrood, Bock worst, Heineken bier en sterke drank mee aan boord. Groenten hebben we ook, appelmoes in blik en voor de schipperse boontjes. Voor de grote oversteken Chocomel, Verkade knappertjes en noedels.
Op 25 mei varen we het Prinses Margriet Kanaal op. Bij Wester in Eernewoude tanken en verder naar het vriendelijke Delfzijl, waar ik altijd graag kom en maken we een praatje met havenmeester Bram Kanon. Daar blijven we tijdje om beter weer af te wachten en gaan we eten bij Nang Sing, vlak bij de haven.
Als het weer min of meer acceptabel is, varen we de Eems af en dan rechts naar de Emshornrinne van het Osterems wantij, wachten bij ton O 37 achter het anker op het vloedwater om het wantij over te scharrelen en dan de Memmertbalje op onder Memmert, Juist naar Norderney. Daar zien we het weer veranderen. Er komt een Oostenwind. Niet echt goed maar beter dan noordwestenwind, want we moeten door de Duitse Bocht richting het Kieler Kanaal. De vlet is te hoog voor de 2,70 m brug in het Elbe-Jade kanaal te varen. Je kan wel tot Bremerhaven varen, maar daar moet je toch de Duitse Bocht door. Dan kun je veel beter vanaf Norderney naar de Elbe varen.
Het is in die jaren niet zo makkelijk om aan een weerbericht voor de scheepvaart te komen. Het mobiele internet gebeuren van nu heb je toen nog niet. Wij krijgen op de vlet het weerbericht en de weerkaarten van de Fastnet Marine Decoder, een weerontvanger. Een apparaat van Fastnet Radio AG uit Hamburg, dat piepjes ontvangt via een antenne in de mast en die omzet in een Bracknell fax weerkaart met luchtdruk isobaren. Er zat ook een barometer op in de vorm van een lijn in de tijd. De schipperse is er dol op en is er altijd mee in de weer.
Die weerkaarten zien er zo uit:
https://www.ziltmeteo.nl/bracknell.htmlDeze Bracknell kaarten zijn eigenlijk fantastisch. Je ziet de weersystemen en de isobaren en je snapt waarom het weer is zoals het is en je ziet de risico’s. Weerberichten zijn voor de komende 12 uur meestal ok, maar ze veranderen ook steeds. We komen aan dat apparaat, doordat we een keer in Cuxhaven naast een ervaren Duitse zeezeiler lagen met een rood gestreepte Najad. Hij liet de print van een weerbericht zien van zijn decoder en besloot de Duitse Bocht op te varen, terwijl alle andere zeilers bleven liggen. Hij zei dat het weerbericht niet zo goed was, maar de golfhoogte nog lang laag zou blijven. De schipperse nodigde zichzelf meteen uit aan boord in de navigatiehoek van de fraaie Najad en kreeg uitleg bij het apparaat en kwam terug met een geprint briefje. Een lage golfhoogte sprak ons aan, dus we voeren toen ook uit, maar niet zonder de naam en adres van de fabrikant van het apparaat gevraagd te hebben.
De weerdecoder wordt bediend door de schipperse, zoals je wel vermoedt. Het print ook alle weerberichten van Pinneberg uit. De kaartjes en de weerbericht liggen in de ochtend op je te wachten, tenminste als je voldoende rollen papier meegenomen hebt. Het ding moet geprogrammeerd worden, waarvoor zij een dikke map met papieren heeft gemaakt waar ze alle codes in opschrijft, want die wisselen per regio, maar dan je hebt wel altijd een actueel weerkaartje. Die weerdecoder is een een uitkomst. Een eenvoudigere versie is de FMD15-20, die je op heel veel zeilboten ziet, daar lees je de berichten van het schermpje af. Overigens werkt het nu nog steeds prima en kom je ze op zeilboten nog wel eens tegen, maar het bedrijf bestaat niet meer. Ingehaald door satellieten.
Wat Duitse marifoon weerberichten betreft, de ouderen onder ons kunnen zich op de Westelijke Oostzee in de jaren 60-90 de tikkende wekker nog wel herinneren rond 07.40 en 18.40, die de uitzending van Kiel Radio aankondigde op de marifoon kanaal 23 en 26 en met de karakteristieke herkenbare stem:
“Alle Seefunkstelle, alle Seefunkstellen, hier ist Kiel Radio Delta Alfa Oscar mit dem Wetterbericht zum Mitschreiben”.
Iedereen die na de oorlog op een boot zit op de Westelijke Oostzee luistert jarenlang naar dit weerbericht en schrijft dat mee. Het was eigenlijk de enige manier om aan een fatsoenlijk weerbericht te komen voor een watersporter. Als je van te voren je roepnaam hebt opgegeven, dan kan je na het weerbericht via de marifoon met de telefoon thuis verbonden worden. De uitzendingen stoppen in 1994.
Maar ik dwaal af. Na de uiterton van het Dove Tief, het geultje van Norderney naar buiten, hebben we de wind op de kop. De vlet vaart op de stuurautomaat van Robertson. Eigenlijk stuur je nooit met de hand, alleen bij het afmeren en afvaren. Zelf met de hand sturen op zee is niet te doen. Na een kwartier ben je op. Bij een bepaalde golfhoogte uit de verkeerde kant, gaat de stuurautomaat prehistorische geluiden maken, dus het heeft zijn beperkingen. Dan moet je de koers verleggen of met de hand sturen, want je wilt niet dat je mooie stuurautomaat kapot gaat. Het is nu natuurlijk allemaal verouderd spul, want nu bestaan er veel betere GPS kompassen, die stabieler zijn, omdat ze niet magnetisch werken en ook niet hoog in de mast heen en weer zwiepen. Overigens varen we op dit moment nog steeds, met de nu oude vlet, met de oude Simrad spullen. Het varen op zee met veel wind met een motorvletje is geen optie. Je doet er helemaal niemand een plezier mee. Alles vliegt rond en valt in scherven en iedereen wordt zeeziek. De stuurstoel en de tafel in de stuurhut schroeven we altijd vast, want dat kan niet anders op een bewegelijke vlet. Of die zeewaardig is daar moet je het niet over hebben. Een open kuip, dubbele opslaande deuren en te grote ramen, te kleine loospijpen, nou dan kun je wel ophouden. Het moet gewoon fatsoenlijk weer zijn, niet zozeer voor het schip, maar voor de bemanning. Een schone tank en ruim bemeten voorfilters zorgen er voor dat de diesel blijft draaien. In de praktijk vaar je dus op het weer en niet op de kalender en dat betekent dat je genoeg tijd moet nemen en accepteren dat je eerder terug moet of je reisdoel niet haalt.
Boven Norderney en Langeland vaar ik eigenlijk met 2000 toeren wat te hard tegen de zee op. Je vaart met de vloedstroom mee, maar de oostenwind komt je tegenmoet. Die stuwen de golfhoogte op, maar die heb je recht op de kop. Je moet het toerental tijdig aanpassen aan de golfhoogte en er niet tegen in gaan rammen.
Na het NOK kanaal (Kieler kanaal) varen door naar Maasholm, sfeervol aan de ingang van de Schlei met de mooie grote stenen aan de buitenkant, waar een bakker is en waar je gerookte vis en “Krabbenbrötchen”, broodje garnalen kan krijgen met Krombacher bier uit de tap of Flensburger uit beugelflesjes. Er staat daar ook een huisje met een merkteken hoe hoog het water daar ooit heeft gestaan bij een Ooster storm. Nou, op borsthoogte als je naast het huisje staat.
Vandaar zijn we overgestoken naar het Deense eiland Ærø. Ærøskøbing is een alleraardigste havenstad met de mooiste oude huisjes en een sfeervolle beroepshaven. Er is helemaal niemand in de jachthaven op een Duitse Fleming 55 na met een heel bejaard echtpaar met Perzische tapijtjes en centrale verwarming. Bij ons is de luchtverwarming op de vlet kapot gegaan en het is nu 8 juni, het waait en het is vreselijk koud en ‘s nachts nog kouder, een paar graden boven nul. Je kunt je dat nu haast niet voorstellen, maar dat was toen zo met het weer in Denemarken. Een dealer van Eberspächer opgebeld in Svendborg op Fünen. De monteur moet toch op het eiland zijn en wil de kachel op halen voor hij met de veerboot terug gaat, maar als de kachel klaar is dan moeten we naar Svendborg varen voor de inbouw. Als we een paar dagen later Svendborg binnen varen, zien we enkele ijsbrekers afgemeerd liggen langs de kant. De monteur die de Eberspächer gerepareerd heeft vertelt, dat zij elk jaar de Eberspächers van die ijsbrekers reviseren. Het monteren van de gerepareerde luchtverwarming viel tegen, omdat vroeger ooit door een dwaalgast, de stekkers van de bedrading zijn afgeknipt. Onder een kritisch oog van de schipperse knoopt hij alle draadjes aan elkaar en zegt dat er absoluut stekkers aan moeten. Als ik wil afrekenen zegt de monteur, dat vanmiddag de baas langs komt om contant af te rekenen. In de middag klopt een jonge vrouw van in de dertig op het raam, die vertelt dat zij de eigenaar is van het installatie bedrijf. Ze komt aan boord en ik heb ondertussen voor voldoende Deense kronen gezorgd. De schipperse hoort dat aan en zegt dat zij ook een eigen installatie bedrijf wil als we thuis zijn.
Vervolgens varen we om Langeland heen naar het Smålands vaarwater naar het eiland Vejrø. Dat is toen nog een bijna verlaten eiland en wij zijn de enige boot. Ik vind het toen ook al ongelofelijk dat zoiets bestaat. Een eiland waar eigenlijk niemand is, behalve enkele bierdrinkende Denen in een oud houten huisje. Zij zijn blij ons te zien en uitnodigen ons vriendelijk uit en we kunnen het havengeld voldoen en warme worstjes krijgen. Vejrø is sinds een paar jaar omgetoverd tot een prachtige jachthaven en ecologisch natuur paradijs. Maar het ligt nog steeds in de middel of nowhere op een uur varen uit de kust.
Vandaar naar Klintholm Havn aan de oostkant van Denemarken, waar het gaat waaien en we een paar dagen blijven. Naast de jachthaven is de visserijhaven. Als de vissersboten terugkomen ga ik naar de visserijhaven om te kijken. Met name hoe ze aanleggen, want vis krijg ik niet te zien, die zit in de viskisten. Nou, ze varen achteruit naar de loswal met de kraan en leggen een heel kort achterlijntje om een paal en dat is het. De motor in de vooruit en de boot legt zichzelf aan. Uitladen en wegwezen, want de volgende wil ook lossen. Vooruit en achteruit gaat razendsnel met de Hundested omkeerbare schroef, niks geen keerkoppeling voor die vissers.
Het weer wordt beter, dus in de ochtend vertrekken we naar het Zweedse Simrishamn. We hebben de stroom en de wind mee en doen er negen uur over. We besluiten in een havenrestaurant te gaan eten, dus we stappen naar binnen en ik zie dat het vol is. Tegen beter weten in vertellen we de blonde gastvrouw dat we graag een tafeltje willen en zij gaat ons voor naar een piepklein tafeltje waar een Zweeds echtpaar aan zit. Er worden borden bijgezet en dat is ons plekje. Ik verontschuldig ons bij mijn buurman, zeg nog dat we Hollanders zijn, maar het zijn lokale koele Zweden en die reageren nergens op, zijn wel heel beleefd, maar ook heel privé. De schipperse gaat nog even vragen bij de gastvrouw en die legt uit dat we het piepkleine tafeltje delen met het andere echtpaar en dat dat ook nhet geval is bij al die andere tafels. Die horen ook helemaal niet bij elkaar. Iedereen deelt alles met elkaar. Welkom in Zweden, waar je alles met elkaar deelt. Dat zou trouwens ook in Friesland kunnen, alleen dan wordt door het vreemde echtpaar meteen gevraagd van wie jij er eentje bent, wie je ouders zijn, je grootouders tot in het zoveelste geslacht en uiteindelijk ben je familie.
We liggen naast de Desperado, een stalen rondspant De Ruiter kotter van een veel meer ervaren en alleraardigst Nederlands echtpaar. Daar worden we aan boord uitgenodigd. Een heel leuke en gastvrije ontmoeting. De volgende dag op naar Kalmar door de Hanö Bocht. Maar na zes uur varen zien we onderweg Utklippan liggen, het zuidelijkste Zweedse eiland met een rood vuurtorentje op een eilandje, dus het kan niet anders of we gaan daar heen.
Utklippan bestaat uit een noord en een zuid eilandje met in het midden een beschut haventje. Het is nog vroeg in het seizoen, voor Zweedse begrippen dan en we zijn de enigen in het betonnen basin, dat de vluchthaven in wezen is. Er zou een bewoner moeten zijn, maar die is onzichtbaar. We wandelen over het rotseiland midden in de zee in de voorjaarszon. Het is er stil, betoverend en er bloeien voorjaarsbloemen. De haven is in de oorlog aangelegd als noodhaven en toevluchthaven voor vissers, die zo niet steeds door de mijnenvelden terug naar hun thuishaven hoefden te varen.
De volgende dag vertrekken we naar Kalmar. In de verte zie ik warempel een Nederlands motorbootje varen. Een Engels type Mitchell 31 Mk 3 of 4 of zoiets. Ik ben de naam van de boot vergeten. Dat zijn behoorlijk zeewaardige boten. Bij Kalmar gaan wij de haven in en de Mitchell vaart door. In de haven meren we langszij af aan een ronde steiger met een promenade met wandelende Zweden, die zichtbaar niet naar ons kijken en aan de andere kant een hamburgertent, waar ik wel zichtbaar naar kijk. Ik loop de haven door en kijk eens een ijskraam. Niks bijzonders, tot ik het bordje “laktritsglass” zie staan. Nou ken ik niet veel Zweedse woorden, maar hier staat gewoon “dropijs”, hoor. Echt, zwart gekleurd ijs, dropijs. Nou wil het geval dat ik geen ijs mag van de schipperse. Ik mag van alles, whisky, cognac, sigaren, naar andere vrouwen kijken, maar geen ijs. Het waarom is mij eigenlijk nooit duidelijk geworden. Als kleine jongen kreeg ik van mijn moeder vroeger ook nooit ijs als de ijscoman langs kwam. Sommige dingen zijn gewoon niet voor je weggelegd, kennelijk. Ik loop terug naar de boot.
“Ze hebben hier drop ijs!”
“Eerlijk? Als je er ook een voor mij meeneemt!”
Asjemenou. Zo zitten we met twee groot uitgevallen dropijzen in de open kuip van de vlet in Kalmar in Zweden.
Ik zie in de haven dat zeilboten achter aan een meerboei zitten en voor met de boeg naar de steiger. Ze hebben daar een RVS stang met haak voor, die je aan de meerboei vast klikt en dan met een lijn op de achterbolder zet. Ik vind er een in de watersportwinkel.
We varen noordwaarts de Zweedse scherenkust in. Steeds verder van Friesland, waar we in mei vertrokken zijn. Het voelt onwerkelijk aan. We vinden een door rotsen omgeven en met dennenbomen omgroeide kleine baai, waar we voor het eerst proberen te ankeren met een lijn op de wal vanaf de boeg en achter met het hekanker, op z’n Zweeds. Het losse hekanker is een groot aluminium Fortress anker met 40 meter antikink loodlijn en 8 meter 10 mm ketting. Eén groot fiasco. De anti-kinklijn kinkt als de pest en het alu anker met 40 meter lijn plus 8 meter ketting, houdt niet. Achteraf staat het te ondiep afgesteld,. Denk ik. Dus mijn fout. We liggen er wel sprookjesachtig mooi. Daarna verder en zo komen we in een haventje terecht waar alles nog in winterslaap is. Hoe noordelijker, hoe vroeger in het seizoen.
Er komt een blond meisje met een paardenstaart op melkerstijd langs voor het havengeld. Ze zegt dat ze al uit de verte zag dat wij Nederlanders zijn, omdat Nederlanders altijd donkere rompen hebben. Ze vraagt ons om een gunst, of we ook een klein slokje jenever hebben voor haar grootvader.
“My grandpa saw you coming into the marina and docking your boat,”, zei ze met een Amerikaans Engels accent.
“Back in the day, he used to travel to Amsterdam for business.”
“That’s where he had his first shots of Dutch gin, which he still remembers, among other things”
Hij was vroeger vaak in Amsterdam en herinnert zich o.a. de jenever nog. Ik zeg tegen haar dat wij uit Friesland komen en dat we een Fries merk jenever aan boord hebben in voor de scheepvaart speciaal gemaakte vierkante flessen, dus ze treft het met ons. De nog onaangebroken fles jonge Bokma kan ze echt niet aannemen, zegt ze, maar even later huppelt ze met de vierkante fles over de steiger, met slingerende paardenstaart, op weg naar haar grootvader.
De schipperse heeft het allemaal aangekeken en zegt:
“Liefde maakt blind.”
“Dat zegt ze tegen elke Nederlandse boot, die hier afmeert, meneer de onnozelaar.”
Ik geloof er niks van. Als je dan toch in de maling wordt genomen, dan het liefst door een meisje met een paardenstaart, want zelf heeft ze ook een paardenstaart en blond haar en een vader, die een grootvader was en die jonge jenever dronk.
Er loopt een beschutte vaarroute tussen de scheren noord- en zuidwaarts, waarlangs je naar Stockholm kunt varen. Hier en daar staat een kardinale staak om de ondiepte aan te geven en nadat ik zo’n staak aan de verkeerde kant voorbij vaar, zie ik onder de vlet, door het doorzichtige water, een gigantische steen verdwijnen. Gelukkig gaat het goed, maar ik wil naar de buitenste eilanden en daar ankeren.
We varen door een soort ansichtkaarten landschap met helblauwe luchten met dennengroene dennenbomen op idyllische rotseilanden en helder water met hier en daar een houten Zweedsrode vissershut. Met die huisjes was wat. Eerst zie ik het niet, maar opeens … snoekenkoppen. Er zijn talloze giga grote snoekenkoppen op de gevels van de hutjes gespijkerd. Monsters met opengesperde bekken en grote tanden. Ik ben zwaar onder de indruk van deze trofeeën. Ik heb zelf snoek gevangen in Ierland, dus ik weet hoe het voelt.
Op de buitenste eilanden zijn geen hutten en er zijn ook geen mensen. Er is hier helemaal niemand. Hier hebben we een paar dagen geankerd op sprookjesachtige beschutte plaatsen zonder al die dagen ook maar een bootje te zien. Op de marifoon heeft Stockholm Radio het in de Botnische Golf over de ijsberichten.
We varen weer een eind naar het Noorden. We liggen achter een eilandje ergens als er een Zweed langszij komt. Hij is oud en spreekt geen Engels of Duits, maar hij laat ons polsdikke koud gerookte palingen zien, of wij daar interesse in hebben. Ik ben een uitgesproken liefhebber van gerookte wilde paling, alleen ik heb berichten gelezen over de watervervuiling in de Oostzee vanuit Rusland, dus ik durf ze niet te eten. Die hele dikke paling is hartstikke oud en misschien zo bomvol Russische dioxine dat je ‘s avonds licht geeft. Maar wel aardig aangeboden en erg jammer. Het water is hier zoet, dus je hebt hier naast paling ook snoek, baars, snoekbaars, voorn, brasem, zalm en zeeforel.
Wat ons opvalt is dat je zo nu een dan op een willekeurig eilandje een houten huisje ziet met een schoorsteen, die soms rookt. Het huisje staat aan het water met een trappetje, waar een voor ons onbekende woord op staat, bastu. Je ziet een enkele keer mensen in de buurt. Het heeft lang geduurd voor we er achter komen dat het een gratis, gemeenschappelijke, dennen stammetjes gestookte, sauna is, waar iedereen zomaar naar binnen kan.
Ergens onderweg varen we zoekend naar een nog mooier ankerplekje, als we worden gepraaid door een Zweed in een roeibootje met buitenboordmotor. Hij zegt allerlei dingen die ik niet versta, maakt “kom met mij mee” gebaren. Ik vaar achter hem aan. De schipperse waarschuwt mij om geen stommiteiten uit te halen met vreemde mannen, maar ik ga evengoed achter hem aan. Ik zie het steeds ondieper worden en er liggen grote stenen vlak onder het oppervlak, lijkt het, dus ik zet af en toe de schroef uit, maar blijf wel achter het roeibootje aanvaren, onder verbaal protest van de schipperse. We komen door allerlei kleine gribussen, overhangend struweel en doorgangen en bochten. Tenslotte wijst hij op een rots op een eilandje, dat we daar langszij kunnen vastmaken. Hij groet en is weg. We maken voorzichtig langszij vast en liggen op het mooiste plekje ooit aan een eigen eilandje volkomen uit het zicht. Wow, wat een super ervaring. We lopen over het geheel begroeide eilandje in een maagdelijke omgeving over paadjes met blauwgrijs mos en met prachtige dennen en berken en allerlei voorjaarsbloemen, sommige knalrood. Je ligt met de vlet, met voor maanden eten aan boord, in het bos, tussen het riet, aan de rotsen, op zee, op je eigen eiland, met mooi weer, in Zweden.
Na enkele dagen komt onverwacht een Zweedse zeilboot naast ons liggen vanuit een hele andere route met de boeg naar de rots en een hekanker. Hij blijkt een loods te zijn op de grote vaart, die de Zweedse Mälaren meren op varen. Het echtpaar komt bij ons in de kuip op borreltijd en hij vraagt om whisky en zij om wijn. Het gesprek komt o.a. op de zwartwater tank en ik zeg in mijn onschuld, dat ik de scheren uitvaar en ver op zee de tank leeg. Nou, toen had ik het gedaan. Dat mocht onder geen voorwaarde, het moest per se buiten de 12 mijl zone en liever helemaal niet, je moet absoluut naar een sanitair station. Die Zweden zijn zo ongelofelijk netjes. Ik vertel maar niet hoe het vroeger in Friesland bij het Starteiland toe gaat. Hij zou het ook niet geloofd hebben en gevoel voor humor, dat hebben Zweden niet, zelfs niet na een aantal whisky’s en een zakje pinda’s. Deze loods was gewend om met vreemden om te gaan, want Zweden komen normaal gesproken niet zomaar bij je aan boord, tenminste niet vrijwillig. Na een nachtje gaan ze weer weg en een paar dagen later verschijnt er een groene boswachter met een groen bootje, die zegt dat wij maar drie nachten daar mogen liggen, zodat ook andere zeilers hier kunnen verblijven. Delen, zeg maar. We blijken in een natuurreservaat te liggen en we moeten na vijf dagen ophoepelen. Via hetzelfde enge doorgangetje naar open vaarwater en we varen verder in noordelijke richting. Hoe meer aan de buitenkant van de scheren hoe meer de dennenbomen verdwijnen en er afgesleten rotsen en stekelige struiken voor in de plaats komen.
Na het buitenste eiland passeren we het populaire en fraaie watersport eiland Sandhamn, waar we niet naar binnen gaan, maar wat we achteraf misschien wel hadden moeten doen. Maar ja, je vaart op het weer en de weerdecoder zegt dat er een paar mooie dagen aankomen voor de oversteek over de Zee van Åland.
Zo komen we tenslotte noordelijk van Stockholm ter hoogte van Norrtälje aan bij een klein rotseilandje helemaal aan de buitenkant van de skärgård. Daar zijn muggen. Ongelooflijke hoeveelheden steekmuggen. De schipperse heeft een hor voor de stuurhut ingang, voor de kombuis ingang en voor de toegang naar de punt, waar we slapen en nog word je te barsten gestoken. En dan heb ik het nog niet eens over de knut, die overal doorheen komt. We smeren olijfolie op de muggenhorren in de punt om ze tegen te houden. Misschien was het alleen op dit punt, want van de rest van de reis heb ik geen herinnering aan muggen.
De volgende morgen de Zee van Åland op richting Mariehamn, want het is begin juli en prachtig weer. Ik moest en zou per se naar Mariehamn, vraag me niet waarom. Het wordt een mooie overtocht en we varen de Västerhamn in, de westhaven van Mariehamn, waar ook de windjammer Pommern ligt uit 1903, die met graan uit Australië langs Kaap Hoorn voer naar Engeland. Daar liggen een paar zeilboten voor een hekboei met twee voorlijnen naar de wal, een schitterende rustige haven. En misschien moeten we doorvaren naar de gasthaven achter de viermaster Pommern. Maar er is ook een Ôsterhamn, de oosthaven, dus omgevaren en daar aan de buitenkant van de houten steiger vinden we een ligplaats aan een hekboei met de nieuwe haak uit Kalmar en twee lijnen op de bolders op de steiger. Trappetje aan de boeg gehangen bij de doorgang in de preekstoel, afstap bankje op de steiger gezet en ja, dit is een typische motorboten haven. Er zijn cafetaria’s met worstjes en hamburgers, terrassen, een restaurant waar ‘s avonds gedanst wordt en je kan bier en ijs krijgen, d.w.z. andere mensen kunnen ijs krijgen en er loopt een weg langs de haven richting het museumschip Pommern, waarop we een middag met veel interesse rond kijken.
Op straat rijden enorme Amerikaanse sleeën met vleugels uit de jaren vijftig. Dat verwacht je niet van een eiland dat 6000 jaar geleden nog onder water lag. Overal in het stadje Mariehamn is het uitermate netjes en als ik ergens sta te wachten zie ik een man, die daar woont een snippertje papier, dat op de stoep ligt, oprapen. Het stadje maakt een uitermate prettige en verzorgde indruk en de inwoners zijn absoluut verzamelaars van oude Amerikaanse auto’s, zodat je de roffelende V8 motoren regelmatig hoort, wat Mariehamn, heel aantrekkelijk van zichzelf, extra leuk maakt voor een motorliefhebber.
Alleen … dan lopen we helaas langs een scooter verhuurder en dan moet er dus gescooterd worden. Waarom kun je niet gewoon, als een normaal mens, de hele middag bier drinken en worstjes eten op een terras aan de haven? De schipperse enthousiast, rijden en rijden langs Russische schansen en oude burchten, het racet maar door er komt geen eind aan en ik scooter er van ellende op mijn Suzuki achteraan. Nog een geluk dat het een eiland is. De Ålands eilanden zijn schitterende eilanden met overal baaien met riet en geboomte, ook vanuit het zadel van een Suzuki.
Varende in oostelijke richting, verder de eilanden groep in, zien wij door de ramen van de vlet een buitenaards groot schip, dat tussen de eilanden beland is. Er staat met grote letters VIKING LINE op. Stel je voor, je vaart in de Houkesloot bij Sneek en er vaart dit cruiseschip “Isabella” van 170 m lang, 28 m breed met 2200 passagiers op 12 dekken, 400 auto’s en 2 schroeven met 32.000 pk door en zo hoog als een flatgebouw. Als je je buik inhoudt kan ie net passeren. Totaal onwerkelijk. Het is een cruiseschip dat de veerverbinding tussen Helsinki, Mariehamn, Turku en Stockholm onderhoudt. Vaart daar gewoon door een slootje tussen de Finse en Zweedse bootjes. Doodeng en er gebeurt niks, alles gaat goed en iedereen vindt het normaal. Oh ja, het schip kan niet stoppen. We varen een aantal dagen oostwaarts richting Turku, maar bij het naderen van de stad zien we steeds meer houten huisjes op de eilanden en steeds meer drukte en stel ik voor weer terug te gaan.
Zo passeren we ten zuidoosten van Mariehamn het eiland Föglö. Ik weet niet meer waar ik dit verhaal gelezen heb, maar hier vinden vissers op 10 februari 1945 het onbeschadigde, bevroren lichaam van een 28 jaar oude Duitse officier. Hij droeg een reddingsvest en had bloed in zijn keel en mond en men dacht dat hij uit een gezonken U Boot kwam en dat zijn longen zijn ingeklapt door de druk door de snelle stijging uit grote diepte, toen hij via de nooduitgang, naar de oppervlakte probeerde te ontsnappen. In 2012 wordt de gezonken U Boot U-745 door duikers gevonden ten zuiden van het Finse Hanko, zuidoost van Turku. De onderzeeboot is grotendeels intact met een vergrote commando toren en extra luchtafweer geschut. De U Boot blijkt op 30 januari 1945 in een Fins zeemijnenveld terecht gekomen te zijn en gezonken. De U-745 heeft in de tijd daarvoor twee Russische schepen getorpedeerd. Kapitänleutnant Wilhelm von Trotha uit Kiel, commandant van de U-745 is een paar dagen later op Föglö begraven. Van de 45-48 bemanningsleden is niets bekend. Je vergeet welke tragische gebeurtenissen zich in de Oostzee hebben afgespeeld in al die oorlogen. Je ziet ook al die wrakken liggen op de zeekaarten. En de getorpedeerde passagier schepen “Wilhelm Gustloff”, “General von Steuben” en MV “Goya”, waarbij duizenden vluchtelingen en soldaten verdrinken en daar komen al die getorpedeerde houten Deense schoeners nog bij. Je kunt er zomaar door aangeslagen raken van al die verdronkenen. Er is ook een gezonken houten schoener gevonden van 20 m. op 50 diepte met meer dan honderd flessen Champagne uit 1840, die nog goed waren. Daar word je heel wat vrolijker van.
Rond 12 juli moeten we weer terug. We vertrekken van een ankerplek zuidelijk van Mariehamn. Het is prachtig weer en het ziet er goed uit. Zodra we de Zee van Åland opvaren, trekt het ineens helemaal dicht van de mist. Een rare dikke laaghangende mist over een stille zee zonder wind. Je ziet niks, maar je maakt wel vaart, dus de radar aan. We zien een grote echo uit het Noorden naderen en varen er in een grote boog achterlangs. Het schip hebben we nooit gezien. Een Ais bestond nog niet in die tijd. Een motorende catamaran steekt ook over, maar daar kunnen we in het begin alleen de mast van zien. Maar het is een mooie maar spannende overtocht. Zo zie je maar, dat je op zee niet zonder radar kan en een mistveld in juli, dat kan daar kennelijk voorkomen. Misschien iets met de lage temperatuur van de Botnische Golf en warm weer bij de Ålands eilanden.
Na 5 uur varen komen we bij het Zweedse eilandje Villösan op een mooi ankerplekje. De volgende dag naar de grote stad Nörrtälje. Daar komt de dochter aan boord om met ons mee terug te varen. Die is vanuit Nederland naar Stockholm-Arlanda Airport gevlogen. Vanaf die tijd begint het in het altijd zonnige en droge Oost Zweden onophoudelijk te regenen en te waaien. Via allerlei idylische eilandjes met fraaie ankerplekken varen we in de stromende regen naar het zuiden. De dochter treft het niet altijd als ze aan boord is. Een tijd terug op een traject van Göteborg Zweden naar Grenå in Denemarken, valt ze onder invloed van Cinnarizine anti-zeeziekte pillen in slaap op de bank in de open kuip. Als ze na uren wakker wordt, is een helft van haar gezicht rood verbrand en de andere helft wit.
“Ik kan mij nergens meer vertonen!”, roept ze en voegt er aan toe: “het is niet eerlijk”.
En nu zit ze, door het met regendruppels bedekte raam, naar de eilandjes met de dennenbomen te kijken. Ondanks de regen en de wind is het mooi beschut varen.
Zo komen we weer terug in Kalmar en varen vandaar in 6 uur naar Utklippan, waar het weer opeens omslaat. Er komt nu stormachtige wind, rond de 30-40 knopen, 8-9 Bft pal op het eiland. Niks aan de hand, hier liggen we prima in de vluchthaven met alle andere zeilboten. Nou, het blijkt met storm een rotplek. De deining loopt naar binnen in de betonnen bak wat de haven eigenlijk is. De boten steigeren aan hun landvasten, die binnen een kwartier zijn doorgesleten op het beton. We binden er doeken en dweilen omheen om ze te beschermen, maar het is onbegonnen werk. Ten einde raad haal ik lange lijnen tevoorschijn, die de overkant halen en waarmee ik de vlet min of meer van de kant kan houden, maar het is vreselijk. Vooral voor alle andere boten, want het is hoogseizoen. Je hoort letterlijk enkele grote polyester zeiljachten kraken als ze verzwaard door hun naastliggende buurman tegen het beton gekwakt worden en daarna als ze aan hun landvasten uit elkaar getrokken worden. Na drie dagen wapperen kunnen we verder. Op de vraag van de dochter waar we heen gingen, zeg ik Simrishamn en ik vertel haar dat ik daar een kebab tent heb gezien en dat ik haar op een grote sappige portie kebab met knoflooksaus ga trakteren, als we over een paar uur aankomen. De schade en de ellende en de slapeloze nachten op Utklippan hebben er ingehakt bij haar. Dus de dochter tuurt de hele dag over de horizon of Simrishamn al in zicht komt. Na 9 uur tegen de zuidwesten wind in hakken, komen we laat aan in Ystad, waar alles dicht is. Mijn dochter zegt, dat het niet eerlijk is en dat ze dit gaat onthouden. Maar ze weet ook wel dat we onderweg een telefoontje hebben kregen, dat we onmiddellijk naar Nederland moeten komen vanwege grote gezondheid problemen in de nabije familie.
De volgende morgen blijkt de wind te zijn gaan liggen, dus de om 7 uur vertrokken naar Hundige, een van de grote jachthavens ten zuiden van Kopenhagen, waar we na 7 uur varen aankwamen. De haven is mij ooit aanbevolen op het eiland Densö door een Deen met een Albin Vega 27, die vandaar in zijn eentje naar het Caribisch gebied was gezeild en terug. Hier is de vlet een paar dagen blijven liggen, omdat we naar huis moeten. Als we een paar dagen later terug komen, blijken de lampjes uit de navigatie lichten verdwenen. Pech voor de arme watersporter, want ze zijn 24 volt.
De volgende dag staat er West 20-30 knopen wind, 6-7 Bft, maar zijn we toch in 6 uur naar Vordingsborg Nordhavn gevaren in de luwte van de Deense kust. De aanleiding is de komst van rustig weer in de Duitse Bocht over een paar dagen. Je vaart op het weer, dus je moet op tijd in Cuxhaven zijn. Dit is de gelegenheid. De volgende dag is de wind ineens Oost en in 13 uur naar Rendsburg in het NOK gevaren. We varen het laatste stuk in de schemering, als je eigenlijk niet meer op het kanaal mag varen en het is net donker, als we de Obereidersee opvaren, het zijkanaal naar de Regatta Verein Yachthafen. Daar wordt “das Holländische Motorboot” op kanaal 16 opgeroepen door Duitse watersporters uit de Verenigingshaven rechts na de ingang, dat ik te hard vaar en dat ik door de hekgolf alle kinderen heb wakker gemaakt. Dat is niet zo best, maar ik vaar gewoon de snelheid, die daar toegestaan is, hoor. Na mijn excuses gemaakt te hebben “Entschuldigung, Sie haben recht, es tut mir leid”, bleef het stil op de marifoon. Het was daar een doodstille avond, dus dan is elke klots te veel voor “unsere lieben Kinder”. Aan de andere kant, de combinatie in het donker op het NOK varen, wat niet mag en de kinderen in de jachthaven daarna wakker maken, is ook niet de beste.
De volgende dag naar Cuxhaven gevaren, want het weer is prima voor de Duitse Bocht. Daar vertrekken we de volgende dag 2 uur vóór hoogwater. Er staat zo veel vloedstroom op de Elbe dat we de gashendel plat op het dashboard drukken om de Deutz tot 2300 toeren aan te sporen tot we buiten op zee zijn. Uiteindelijk in 8 uur met de stroom mee met 1800 toeren naar Norderney gevaren, waar we een half uur na laagwater aankomen. Over het wad verder gevaren, maar dan ben je eigenlijk al thuis. Vanaf Norderney vertrekken we 2 uur vóór hoogwater en met een beetje gang zijn we precies op hoogwater op het wantij van de Osterems, waar op dit moment 2.50 m water staat. Een prachtig beschut stuk over het wad onder de eilanden door, van een kleine vijf uur varen. Een paar uur later kunnen we ons melden bij havenmeester Bram Kanon van Neptunus. We vertrokken op 25 mei en nu is het 18 augustus.
De snoekenkoppen op de rode houten huisjes, daar denk ik nog wel eens aan en aan de bevroren officier.