door Oeverloos » 29 Apr 2026, 08:01
“De weereilanden?”
“Die bestaan niet,” zegt ze.
“Je kletst maar wat.”
“Ze liggen gewoon in het Skagerrak, hoor.”
“Dan mag jij mij aanwijzen waar die weereilanden van jou liggen.”
“Kijk, hier ligt Marstrand.”
“Ik ga niet naar dat bomvolle toeristische Marstrand, dat kun je rustig uit je hoofd zetten”.
“Ze liggen ten noordwesten daarvan, ter hoogte van Hamburgsund.”
“Die stippeltjes daar ver in zee?”.
“Ongeveer een uur varen uit de kust”.
“Op de weerberichten heten ze op z’n Zweeds, Väderöarna.”
“Net als de Koster eilanden bij Strömstad, maar dan heel klein,” zeg ik.
“Misschien kunnen we naar de Koster eilanden en dan varen we onderweg langs de weereilanden,”
“De Koster eilanden?”
“Net onder de Noorse grens.”
“Man, dat is veel te ver weg, dat is weken varen.”
Ze heeft ergens wel gelijk. Je kunt wel een vaag idee hebben om ergens heen te gaan, uiteindelijk moet de gelegenheid zich voordoen.
We hebben in het verleden met het gezin een aantal oversteken gedaan van Göteborg naar Denemarken met 5-6 Bft. Dat had te maken met schoolvakanties en dat wordt nog altijd tegen me gebruikt. Dus ik moet niet opnieuw stommiteiten uithalen.
Na anderhalve week komen er enkele dagen rustig weer aan. Onder invloed van hoge druk zien we een dag op Windfinder met heel weinig wind. We gaan op tijd slapen en om vier uur in de ochtend gaan we anker op. Je bent altijd even bezig, omdat de hele ankerketting moet worden afgespoeld. Meestal is die op enkele meters veranderd in een worst van klei en het anker is ook iets te groot voor de ankerschacht.
We vertrekken uit de baai en varen richting het Deense eiland Anholt omhoog. De zon komt op en de zee is helemaal vlak. Dat komt niet vaak voor. Niemand in zicht, alleen de staken met vlaggetjes van de netten van vissers. We zetten koffie en eten uit een kommetje Duitse melk met Köln Früchte Hafer Müsli. Uit de bakboord vrijboord zien we het verklikker straaltje van de motorkoeling. De Deutz motor bromt. De schipperse zit met een zonnehoed en zonnebril in de kuip. Het is een wonder dat ze met me mee wil varen, ondanks dat we deze route al vaker hebben gevaren. We gaan er 14 uur over doen, zegt de Simrad plotter. Dus voorlopig is dit het. Of je nu heen of terug deze route vaart, na Anholt hebben we de stroom altijd tegen. Je hoopt altijd dat de stroom een keer mee is, maar niks hoor. We draaien 1800 toeren en van de 8,5 knoop blijven er 6,5 knoop over. De vlet vaart op de Robertson automaat en een van ons houdt uitkijk voor vlaggetjes en tonnen. Voorlopig ben ik dat. Ik zit ook uit te kijken naar een bakje warme noedels dat mij rond de middag beloofd is. Ik eet dat nooit, maar nu wel. Je komt hier nooit iemand tegen en je vaart hele stukken, alsof je alleen op zee bent, vooral omdat je geen land ziet. Ergens onderweg moeten we de vaarroutes van de grote vaart door.
Verderop, tussen de eilanden Anholt en Læsø, heb je midden in het Kattegat, tussen de vaarroutes, een grote ondiepte. Dan weet je zeker dat de grote vaart daar niet komt. Dus dat is een geschikte plek. Het passeren van de scheepvaart routes is altijd spannend. Je denkt dat je een aardig tempo hebt, maar dat is schijn. Als je aan de horizon een stipje ziet met een rookwolk en je denkt, daar kan ik makkelijk voor langs. Nou, dat doe je één keer en nooit weer, als iemand begrijpt wat ik bedoel. Dat schip blijft maar met een rotgang op je afkomen, welke koers je ook voorlegt. Word je helemaal gek van. Net alsof je stil ligt en nergens heen kan met een rokende dry bulk carrier, die speciaal op jou af komt. De grote vaart doet 15 tot 20 knopen of zo. Ik draai aan het plastic knopje van de automaat op een koers precies op het stipje dat ik aan de horizon zie. Het volume knopje van de Shipmate druk ik een klikje hoger, wat nergens op slaat.
Onder de Zweedse kust neemt altijd de golfhoogte en de wind toe. Tenminste als wij daar zijn. Misschien iets met de diepte of de aflandige wind, die je ‘s middags krijgt als Zweden is opgewarmd.
Zuidelijk van Kungsbacka steken we de scheepvaart routes dwars over richting vuurtoren Nidingen. Verder gaat het langs de Zweedse kust naar het eilandje Kungsö, zuidelijk van Göteborg, waar we tegen de avond in volledige rust beschut ankeren. Het is daar vroeg donker, want de zon gaat onder achter de berg aan de west kant. Je doet niks op zo’n boot, maar je bent toch moe.
De volgende dag een klein stukje naar Donsö om diesel te tanken en naar de ICA voor gemarineerde haring in dille, Skagen roze garnalen en eieren. We hebben een voorraad Deense ingelegde haring aan boord van Glyngøre, maar daar is al een aardig gat in geslagen. Je zult je wel afvragen wat moeten jullie met die haring. Dat is zo gegroeid. Aan boord eet je andere dingen dan thuis. Bijvoorbeeld Duitse knak worstjes in blik van schapendarm met louter varkensvlees en Duitse maaltijd soepen (Eintöpfe) van Erasco in alle soorten en maten. Als je meestal ankert en uit blik eet krijg je trek in andere dingen, maar nu dwaal ik af. In een hokje naast de steiger in de haven liggen een stel schaatsen. Je kan ook de haven omlopen langs de rode vissershutten en je komt langs een tentje voor koffie met een kaneelbroodje (kanelbullar)
Na Donsö gaan we met een volle tank naar Marstrand, waar we als enige aan een steiger liggen, want het is nog heel vroeg in het seizoen. Wel bijzonder afmeren. Er is alleen een steiger, geen palen of hekboeien. Je vaart met de boeg recht op de steiger af. De schipperse pakt met de pikhaak een lijn van de zijkant van de steiger. Die loopt onder water naar achter over de grond naar een anker op de bodem ver achter het schip. Ze loopt met de druipende met slik bedekte lijn naar de achterdek, trekt die aan op een achterbolder, zodanig dat de boeg een halve meter van de steiger blijft. We hangen een RVS trappetje aan de boeg om op de steiger te komen. Voor de schipperse zet ik nog een teakhouten opstapje op de steiger neer, want het blijft een hele klim voor de jongedame.
Verderop is een kabelpontje naar de Coop. De pont spant een staalkabel over de fjord als die oversteekt. Iedereen weet dat, maar ik zat de eerste keer boven op die kabel, omdat ik dacht dat ik wel achter de pont langs kon. Het bordje Kabelfärja (kabelpont) had ik in die kermis daar niet gezien en het idee dat zo’n kabel op 1 meter hoogte over een vaarwater wordt gespannen, viel buiten mijn voorstellingsvermogen. De schipperse zag het gelukkig. Die zegt altijd dat ik nooit wat zie.
In de Coop vinden we kyckling, hele gebraden kip. Eindje verder is een werfje en een Volvo dealer, waar ik een nieuwe Johnson koelwaterpomp bestel voor de aggregaat. Aan boord van de vlet staat een Fisher Panda type 10 uit de vorige eeuw met een losse Johnson pomp. Die waterpomp vreet V snaren, maar die heb ik genoeg. Ik ben zo stom geweest om een beetje olie in het gaatje op het asje te doen. Nou lekt die op de simmerring. Wist ik veel dat je er van af moet blijven. Je kunt er een nieuwe simmerring inzetten, maar ik begin er niet aan. Als je niet handig bent, zit je uren te pielen en daarna lekt ie evengoed.
Als de waterpomp er is, gaat het verder omhoog langs de buitenkant van Tjörn tot Mollösund. Hier wordt het rotweer en we ankeren een aantal dagen bij de west ingang van Stigfjorden, de fjord tussen Tjorn en Orust, ten zuiden van het eilandje Kalkerön achter een hoge berg met dennenbomen. Op Kalkerön is een inham waar je op een paar plekken beschut langszij een rots kan vastmaken, wat heel leuk is, maar er lag al een bootje, dus is het volgens de schipperse vol.
Waar we nou liggen ankert nooit iemand, maar bij een keiharde westenwind heb je nergens last van en een mooi uitzicht over de fjord en je ligt altijd alleen.
Deze route vanaf het zuiden is een wonderschone tocht langs de Zweedse westkust naar het noorden. Je komt langs de mooiste plekjes, haventjes en eilanden, met daarachter het Skagerrak. We meren af in Marmön, waar een viswinkeltje is met kräftor, dat zijn langoustines, opengevouwen, gebakken, ingelegde haring en viskoekjes van zalm. Er is ook een café met hamburgers, sterk bier en aardige bediening.
Het mondaine Smögen laten we liggen en we gaan verder door het Sotekanaal. Deze route langs de Zweedse kust is fantastisch, maar wel een wezenloos eind varen. Je went nooit aan de enorme eindeloze afstanden en dagenlang varen is niets. Onderweg ankeren we gewoon langs de route.
Na het Sotekanaal gaan we het Skagerrak op naar de weereilanden, de Väderöarna. We passeren allerlei ruige, kale onherbergzame rotseilanden, waar je met geen mogelijkheid kunt landen met je rubberbootje, omdat de deining de rotsen omspoeld. Het is er schitterend varen op zee. Er staat weinig wind en een blauwe hemel, een prima dag. We komen aan bij een groot eiland dat dramatisch tegen het blauw afsteekt. We zien een hoge stalen mast met een radar er op. Onder de mast staat een minuscuul rood houten hokje en daarnaast staat bovenop een vierpoot, nog een rood hokje met een Zweedse wimpel en verder een telefoonmast. Voor een heuvel met begroeiing, in de luwte van de westelijke winden, staat een geel houten gebouw waar in witte letters “Väderöarnas Värdshus” op staat met een vlag. Op het houten plankier voor het veerhuis zit een man achter een picknicktafel waar niks op staat. Hij staart over het haventje en de glad geslepen rotsen. Er staan allerlei rode houten huisjes als een kleine nederzetting. Ze hebben een voorportaaltje voor de ingang.
“Nou ja zeg, kijk nou eens,” zegt de schipperse.
“De weereilanden met een heus veerhuis.”
De schipperse kijk verrukt om zich heen. Wat een unieke plek. Een afgelegen paradijsje ver in zee. Wat een sfeer.
“En nu, meneer de schipper?”
“Dat houten steigertje voor het veerhuis lijkt de aangewezen ligplaats.”
“Durf jij dat?”
“Nee, want je ziet overal de bodem en je hebt het getij?”
“De bootjes die er liggen zijn piepklein en er steken overal rotsen boven water”.
“Als we om het grote eiland heen varen, is aan de buitenkant een smalle passage tussen rotsen.”
“Daar kun je aan de rotsen met een pen vastmaken en achter met een hekanker of een pen op een rots aan de andere kant en dan kun je op de rotsen zitten om over zee kijken”.
“Aan de buitenkant?”
“Daar zijn alleen rotsen, rotsen en nog meer rotsen.”
“Ik heb wel genoeg zee gezien en vind jij het een briljant idee om met deze ijzeren bak tussen de rotsen om te pielen?”, klinkt het.
“Dat is vragen om problemen.”
“Het weer is nu prima, maar dat blijft niet zo”, vervolgt ze.
“Als de wind opsteekt loopt de deining van het Skagerrak naar binnen, nou lekker.”
“Dan is het houten steigertje eigenlijk de enige ligplaats.”
“Of we moeten hier buiten de haven ankeren.”
“Die Zweden zijn het gewend om met hun boot tussen de rotsen te liggen, maar wij niet. Één rotspunt door het vlak en het is muizen”
“We kunnen ook naar Hamburgsund doorvaren”, stel ik voor.
“Daar is een hele grote viswinkel en er is een ICA supermarkt”.
“Ja, dat is goed.”
Er klinkt een beetje spijt door in haar stem.
In Friesland vaar je in zachte veen bodem. Maar hier in Zweden is alles rots. Dat is voor ons wennen. De Zweden zelf zeggen dat als je geen rotsen hebt geraakt met je boot, dan heb je niet gevaren, maar voor ons gaat dat te ver. Afgezien van het feit dat er haast nergens portaal kranen zijn die ons kunnen hijsen.
Ik kan mij de eerste keer dat we de Zweedse scherenkust bij Göteborg invoeren nog goed herinneren. Je komt plotseling tussen de rotsen terecht en je begint te beseffen dat één foutje meteen het afborrelen van je vlet betekent. Er was een moment dat ik niet verder voer. Je ziet dat er routes tussen de eilanden zijn en dat je daar langs moet. Dat doe je dan, maar in plaats van laterale groene en rode tonnen, zie je kardinale staken met oost, west, noord en zuid kegels. Dus je komt aanvaren ziet een kardinale staak en denkt, oh ja, een Noord staak met twee kegels omhoog wijzend. Dat betekent “ik lig aan de noordzijde van een ondiepte”, verrek wat is hier Noord. Tegen de tijd dat je uitgevogeld hebt aan welke kant je moet passeren zit je al met de boeg omhoog op een blinde klip.
Wat niet hielp was, dat in de eerste week in Zweden we een oproep op kanaal 16 hoorden van een Nederlands zeiljacht dat vanaf het Skagerrak de scheren binnen voer en op een onderwater rots voer. Een vrouwelijke Nederlandse stem meldde in het Engels aan Sweden Rescue op kanaal 16, dat ze water maakten, maar dat de pompen aan stonden. Even later meldde ze dat de pompen het niet aankonden en daarna dat de zeilboot aan het zinken was en daarna dat ze zonken. Ik weet het nu nog. Als we ergens liggen gaat de Shipmate uit, want ze zijn de enigen niet. De hele zomer is Sweden Rescue bezig om boten van de rotsen te trekken, met pompen boven water te houden of met kromme schroefbladen naar een kraan te slepen. Niet alleen Zweden, maar ook Noren met motorboten die zo lam als een tor rondcrossen, omdat de drank in de staatswinkels van Zweden goedkoper is.
We berusten in ons gebrek aan ervaring en draaien de vlet en varen richting de kust.
“Wel bijzonder hier eigenlijk, hè.”
“Ja, heel bijzonder. Misschien gaan hier alleen Zweedse insiders naar toe.”
“Als ik naar dat gele veerhuis kijk, hè, dan doet mij dat denken aan een tv programma toen ik klein was. Ergens begin jaren zestig. Dat ging over een oud vrouwtje die woonde in een huisje ergens ver weg, waar de vier windstreken door heen waaiden, een soort kruispunt van de vier winden.”
“Zegt jou dat iets?”
“Wij hadden toen nog geen tv.”
“Nou ja, ik vond dat toen heel leuk, dit veerhuis op een ver eiland heeft daar wel wat van.”
“Na Hamburgsund kunnen we ook langs Fjällbacka varen,” stel ik voor.
“Er is daar vast wel een pizzeria”.
“Een pizzeria, oh ja!”
“Eentje met Mariestad starköl.”
We varen zwijgend tussen de eilanden vandaan richting de kust om alle indrukken te verwerken.
“Leuk is het hier, hè?”
“Ja, het is een verlaten, door stormen en zeewater geteisterde kust met beschutte plekjes waar vriendelijke rode houten huisjes staan met een bootje en een Zweedse vlag,” klinkt het vanaf stuurboord..
“Misschien wil ik ook wel met jou naar de Koster eilanden.”
“Wat is daar eigenlijk te zien?”
“Rotsen, het meeste is rotsen, maar ook zee.”