Hyper
We liggen te wachten voor Schleusen Kiel-Holtenau aan de andere kant van het NOK kanaal. We zijn een van de laatste die aan komen varen. Er ligt al een hele vloot zeil- en motorboten te wachten op het witte licht. Een klein Deens motorbootje zonder stootwillen aan de reling ziet ons naderen en als wij stil liggen gaat ie achter ons liggen. Aardig van hem maar onnodig, want hij gaat voor. De sluis gaat open. Een paar jachtjes die er in liggen en geschut zijn, varen uit, dat wil zeggen, zodra er een spleetje tussen de sluisdeuren te zien is, persen de eerste Duitse boten zich er tussen door om met de grootste spoed te beginnen aan het honderd kilometer lange vroegere Kaiser-Wilhelm-Kanal. In Nederland blijft iedereen liggen tot de sluismeester groen licht geeft. Maar dit is zoals het hier werkt.
De boten varen langzaam naar binnen. De Duitsers leggen meteen aan, zodra ze de houten vlonders in zicht krijgen, zodat de andere nationaliteiten ze voorbij varen en voor hun in de sluis afmeren. De eerste schippers beginnen al aan de uitdagende steile klim op een ijzeren ladder in de wand van de meer dan honderd jaar oude sluis om te betalen bij het hol klinkende betegelde sluiskantoor. Wij varen helemaal naar voren pal voor de sluisdeur aan de andere kant. We kijken naar achter om te zien of het Deense motorbootje langszij wil komen. Die is nog voor de sluisingang en vaart zenuwachtig heen en weer. Iedereen kijkt nu naar achter naar het Deense motorbootje waar kennelijk één persoon aan boord is..
Uiteindelijk vaart ie naar binnen en gooit een lijn over naar een Duitse zeilboot. Die vangt de lijn op en trekt die aan, terwijl het Deense motorbootje langzaam verder vaart. De Duitsers hebben de lijn opgeschoten, maar het ander eind zit niet aan de Deense motorboot vast. Die vaart verder naar de volgende motorboot en gooit een nieuwe lijn over naar de bemanning, die al riep dat ze de lijn zouden aannemen, omdat ie alleen was. Deze lijn zit ook niet vast en de Deense motorboot vaart zonder lijn verder naar de volgende boot. De Deense schipper haalt een opgeschoten tros tevoorschijn en gooit de bundel naar de zeilers toe, die hem opvangen en zeggen dat ie naar ze toe moet varen om de lijn vast te maken, maar de Deen vaart verder en is aan het eind van de sluis gekomen bij ons, waar ik in de gangboord klaar sta met stootwillen, maar hij keert om en vaart terug. De sluismeester heeft ondertussen de sluisdeuren dicht gedaan en wacht tot alle boten in het sluiskantoor bovenin betaald hebben. De Deen heeft nog één lijn, die hij overhandigt aan een Nederlandse zeiler, die de lijn aanpakt en om een klamp legt om hem terug te geven, maar ook deze lijn zit niet aan de Deen vast. De Deen loopt heen en weer van de stuurstand naar achter en naar voren. De lijnen zijn op, want er verschijnen geen nieuwe meer.
De Deen vaart nu weer naar ons toe aan de andere kant en bij ons keert hij weer en zo vaart hij heen en weer in de sluis, terwijl zijn trossen overal aan hem aangeboden worden. Hij reageert nergens op en blijft stug heen en weer varen.
De bel klinkt en de sluisdeuren gaan open. De eerste Duitsers zijn al aan het uitvaren, terwijl wij nog vast liggen. Op zich een wonder, want wij hebben wel meegemaakt, dat de sluisdeuren demonstratief dicht bleven en alle zeilers elkaar aankeken. Tot uiteindelijk na lang wachten een zeiler met een rood hoofd de ijzeren verticale sluisladder op klom en de trappen van het sluiskantoor beklom, bovenin betaalde bij zijn landgenoot en op de terugweg, de ijzeren ladder af, met een klein maar hoorbaar applausje weer op zijn boot klom, waarna de bel klonk en de sluisdeuren prompt open gaan. De Deen vaart mee met de stroom de sluis uit het helle licht van de Kieler Fjord tegemoet. Wij zitten nog op de voorkajuit in het zonnetje te wachten tot de meute weg is.
“Die Hiep Hieper vaart toch maar mooi de Oostzee op”, merk ik op.
“Ja, nou jij nog, Bul Super, waar wacht je op, man, gassen!” klinkt het naast me.
